Even geleden las ik in De Standaard de column van Charlotte Zwemmer over Baki Topal, de gerenommeerde pancreas- en leverchirurg. Hij groeide op in een bergdorpje in Noord-Turkije als jongste in een gezin van 10 kinderen. Toen hij klein was, verhuisde het gezin naar België waar zijn vader in de mijn werkte. In zijn recent verschenen boek “Snijden in de Stilte” beschrijft hij hoe hij in een andere wereld leefde dan zijn klasgenoten die het hadden over hun volgende skivakantie terwijl hij in een arme migrantenbuurt woonde,
“Gelukkig zagen de leraren van de kleine Baki wel potentieel in hem, zoals zijn leraar Nederlands die elke week voor de deur stond met een stapel boeken en schriften onder de arm, waardoor Nederlands leren voor hem geen luxe meer was. Je hoort het vaak van mensen die vanop een maatschappelijk kwetsbare positie een grote sprong op de sociale ladder hebben gemaakt: er was iemand – een leraar, een buurvrouw, een sportcoach – die in hen geloofde en die daardoor hun geloof in zichzelf aanwakkerde.” Is dat niet wat ook onze vrijwilligers doen: geloven in de capaciteiten van een kind of jongere en daardoor groei mogelijk maken. Dat besef geeft me telkens opnieuw wat meer geloof in wat we doen. Natuurlijk wordt niet iedereen topchirurg of advocaat. Gelukkig maar. Maar als een kind of jongere al wat meer goesting krijgt, zich gelukkiger voelt, een stiel wil leren… Dat is toch ook al heel wat.
Josée Machiels, regioassistent Auxilia regio Limburg