Voorbeelden

Voorbeelden

  • De achtjarige Hamid kwam vorig jaar naar België. Hij heeft al veel bijgeleerd maar zijn gebrekkige beheersing van het Nederlands speelt hem nog altijd parten, ook bij rekenen. Samen met een vrijwilliger oefent hij een uurtje per week.
  • De elfjarige Jasmine heeft moeite met wiskunde en kan niet volgen op school. Een vrijwilliger helpt haar één namiddag per week om de achterstand weg te werken.
  • Toen haar man stierf, kon Julia niet meer zonder rijbewijs. Ze leerde op 65-jarige leeftijd rijden met een vrijwilliger en herwon zo haar vrijheid.
  • Lise maakte haar secundaire school nooit af en wil haar diploma graag halen. Een vrijwilliger bereidt haar voor op examens van de Examencommissie.

Meest recente berichten

Havik(k)en en monnik(k)en?

Onze vrijwilligers krijgen regelmatig te maken met het inoefenen van ‘woordpakketten’ voor spelling Nederlands in het basisonderwijs.

Maar hoe belangrijk zijn die woorden? Moeten we bijvoorbeeld per se tijd en energie steken in het juist leren schrijven van havikenof monniken, of van buizerd? Is het niet belangrijker op sleutel (een woord dat je bijna dagelijks gebruikt) te kunnen schrijven dan beuk

Maar hoe weten we nu welk woord belangrijker is dan een ander woord of welk woord frequenter voorkomt dan een bepaald ander woord? 

Hiervoor kunnen we beroep doen op ‘woordfrequentielijsten’. Een goed voorbeeld hiervoor is De Woordenrommel. Van In prijst dit werk op volgende wijze (letterlijk) aan: 

“De woordentrommel is een nieuwe, handige, op-en-top Vlaamse woordfrequentielijst, waarin op de eerste plaats de woorden zijn samengebracht die kinderen zelf gebruiken in hun spontane schrijftaal.

Die lijst is aangevuld met woorden die zorgvuldig geselecteerd zijn op basis van hun maatschappelijke relevantie. De woorden zijn per leerjaar alfabetisch en per spellingcategorie gerangschikt.”

Waarom is het belangrijk bij het aanleren van het Nederlands rekening te houden met een woordfrequentielijst? Omdat we het snelst die stimuli herkennen die we vroeg hebben geleerd en die we dikwijls gezien hebben. Dus, de eerste woorden die we leren en de woorden die we het vaakst zien en horen herkennen we het best. Zo zouden we een woord dat we al 20 keer gelezen hebben sneller herkennen dan een woord dat we slechts 10 keer gelezen hebben. Met andere woorden er doet zich hier dus een ‘woordfrequentie-effect’ voor, een effect dat we niet pas krijgen bij woorden na honderdvoudige aanbieding. Dit geeft het belang aan van het consulteren van de woordfrequentielijsten. Het is  belangrijker om een relatief klein aantal van vaak gebruikte of hoogfrequente woorden goed en herhaaldelijk in te oefenen dan om een lange lijst van laagfrequente woorden slechts eenmaal (via een woordpakket) door te nemen. Het zou dus zinvol zijn – alleszins voor de kinderen die moeite hebben met het Nederlands – om de woorden uit de ‘woordpakketten’ in de verschillende handboeken te controleren op hun frequentie van voorkomen. 

Een zachte overgang die voorlopig niet te veel werk vraagt van de leerkracht/vrijwilliger zou erin kunnen bestaan dat deze kinderen bij het klassikaal dictee enkel de hoogfrequente woorden uit het woordpakket correct moeten kunnen schrijven terwijl ze de laagfrequente woorden mogen kopiëren.