Talig, iedereen is dat. Dat kan anderstalig zijn, tweetalig, veeltalig, lichaamstalig, gebaartalig, … en het lijstje kan nog veel verder aangevuld worden.
Professor Piet Van Avermaet van de UGent stond voor een goed gevuld auditorium. Een onderwijzer die het tot universiteitsprofessor geschopt had. Deze beschrijving van zijn carrière vind ik wel oneerbiedig nu ze er staat. Iemand die een aantal jaren heeft lesgegeven aan de prilste beginnertjes in nogal diverse klassen, iemand die dat kan aan zogenaamd minder begaafde leerlingen, die dankzij zijn eigen werk, interesse en onderzoek ook aan universiteitsstudenten les geeft, die kan het gewoon écht.
En hij hád wat te vertellen, aan ons, veelal gepensioneerde vrijwilligers die kinderen in onderwijsnood proberen te helpen.
Wat ons op een heel geruststellende manier verraste: zelfs als je alleen je eigen moedertaal spreekt, ben je meertalig.
Je gebruikt een andere taal als je in de keuken staat en je kinderen aanspoort de tafel te dekken, of aan een vriendin uitlegt hoe jij pannenkoeken of wafels maakt.
Aan de telefoon met je verzekeringsagent spreek je weer anders. Onze taal past zich automatisch aan de situatie aan. Veelal is dat dan een dialect of – niet gehinderd door enig gevoel van terughoudendheid – tussentaal.
Als wij lesgeven, uitleggen, proberen te verduidelijken, in te oefenen, aan te moedigen hebben wij een eigen vocabularium. En niet alleen dat, ook heel onze houding, onze lichaamstaal zegt hen dat wij het beste met hen voorhebben, dat wij hen vooruit willen helpen, dat wij geïnteresseerd zijn in hoe zíj het zien, dat wij willen achterhalen waar hun probleem zit, zodat wij samen aan de oplossing kunnen werken, dat wij bewondering hebben voor wie zij zijn, voor hun cultuur – niet in het minst de culinaire kant – voor hun vorderingen en voor elk succesje, hoe klein ook.
Er zijn nóg taalvormen. Een dirigent die een groep van twintig, dertig of vijftig mensen zo kan dirigeren dat het publiek enthousiast of ontroerd wordt, zo’n mens komt op mij over als een zéér talig iemand. Samen met de zangers aan wie hij heeft kunnen duidelijk maken wat hij verwacht.
De professor maakte ons ook duidelijk dat een voldoende kennis van het Nederlands de onderwijsproblemen en de gestage ‘achteruitgang’ van de resultaten van onze Vlaamse studenten op internationale testen niet zou oplossen.
Belangrijk is een rijke taalinput, in welke taal dan ook. Als een mama tegen haar 5-jarige dochtertje zegt: ‘Pas op, neem dat daar als je wil meekijken’ of ze zegt : ‘Pak dat trapje, dat is hoger en veiliger als je wil kijken terwijl de aardappeltjes bakken’, dat dat een wereld van verschil is voor het talige vermogen van het kind. Professor Van Avermaet heeft duidelijk gemaakt dat er geen verschil in zulke thuisvorming zit, of dat nu in het Roemeens, het Arabisch of het Nederlands gebeurt. Dat wij de verrijking dankzij de verschillende taalomgevingen van een leerling daarom ook niet aan banden mogen leggen.
Beseffen dat het met mijn juridische, mathematische, economische, … taal maar pover gesteld is, helpt begrip te hebben voor nieuwe Belgen die ons schoolsysteem zomaar niet kunnen doorgronden. Daar heeft Chiara Pletinckx voor ons en zoveel andere begeleiders een prachtig en praktisch eindwerk neergezet. De uitleg van Chiara was voor ons – oude rotten in het vak, dachten wij – erg verhelderend, omdat wij zeker niet meer voor de 100% mee zijn met de nieuwe benamingen en opsplitsingen of samenvoegingen. Het spel dat Chiara ontwikkeld heeft, laat de vrijwilliger toe om samen met de ouder na te denken over de studiekeuze van zoon of dochter lief.
De lieve lezer heeft al begrepen dat ik uit al deze inzichten, herkenning, herinneringen en bevestiging uitermate veel voldoening gehaald heb.
Goedele Ketelslegers, oud-leerkracht en Auxilia-vrijwilliger