Leerlingen helpen om een goede keuze te maken naar het secundair onderwijs

Leerkrachten van het zesde leerjaar voelen zich erg verantwoordelijk voor de studiekeuze van hun leerlingen. Ze kennen hun leerlingen ook erg goed. Bij hun advies op het einde van het zesde leerjaar houden ze niet alleen rekening met de punten die de leerling behaalde, en met zijn interesses maar ook met: inzet en medewerking in de klas, zelfstandigheid, in orde zijn met de schooltaken en planmatig werken. Ze houden ook rekening met de thuissituatie: hoe betrokken zijn de ouders bij het schoolleven van hun kind.

Maar in de praktijk zien we dat ouders het advies van de leerkracht vaak naast zich neerleggen:

Bijna 40% van de leerlingen kiest voor Latijn, terwijl de leerkrachten dit slechts aanraden aan 20% van de leerlingen.

Voor 22% is het advies TSO of BSO; slechts 10% volgt dit advies op.

8% krijgt het advies B-stroom; het wordt opgevolgd door nog geen 5%.

En dan volgt natuurlijk de waterval: van Latijn naar TSO, naar BSO, en soms zelfs tot Deeltijds Onderwijs.

De redenering van ouders en leerlingen is: “Hoog Mikken, je kan altijd nog zakken. Maar stijgen kan je niet”. En in de praktijk is dit ook zo.

Leerkrachten zouden willen dat meer rekening wordt gehouden met hun advies, maar zolang er geen centrale, gestandardiseerde eindtoetsen zijn blijft dit een loze wens, en zal voor veel leerlingen het secundair onderwijs een frustrerende waterval blijven.

Wil je meer weten hierover? Lees: Karin GOOSEN en Simon Boone, Is dat iets voor mij, juf? Uitgave Lannoo Campus.